1. De waggelduif

    De duif die zich bij mij in de buurt voortbeweegt, zou zomaar verre familie van de pinguïn kunnen zijn. Hij heeft twee soorten grijs en een hoop rare vlekjes op de vleugels. Naast mij op het bankje zit een tiener met een te grote koptelefoon een hamburger te eten. Ondertussen gaat zijn telefoon, met een of andere r&b-ringtone. Hij neemt op met ‘Fakaaa’, maar is zelf duidelijk een stereotype Hollander. Een echte wigger dus. Hij staat op en gooit het restje hamburger richting de prullenbak. Naast. De vogel hopt er direct naartoe en schrokt alles naar binnen, behalve het beetje sla en de augurk. Het enige dat wel eens gezond zou kunnen zijn. Wat past zo’n beest zich toch verbazingwekkend goed aan de mens aan! En dan valt het mij op dat ook de andere vogels in de buurt zich min of meer waggelend langs de snackkraam begeven, in afwachting van een nonchalante eter of iemand die zichzelf als dierenvriend ziet.

    Natuurlijk is het zielig dat de postduif zonder werk zit. Neem het hem eens kwalijk zijn verdriet weg te vreten, als een ware fastfoodjunk. Het is ook een makkelijke manier van overleven als je niet zelf voor eten hoeft te zorgen. Gewoon af en toe je kop schuin houden en zielig kijken. Desnoods steel je iets uit een kinderhandje.

    Het is lente. Straks komt hij een wijfje tegen, dat net zo van snacks blijkt te houden. Ik zie de duif al een nestje maken, zo dicht mogelijk bij het pleintje. Ze ruiken de frituurlucht en met al die mensen hoeven ze niet eens gericht ergens heen te waggelen. Dat zijn geen tortelduifjes meer. Het zijn blinde vinken.