Nadat de jonge appel de populairste werd, leek alles mooi. Groen, lekker fris en stevig. Maar niemand bleek met de appel een relatie te willen. Totdat de ervaren en gescheiden sinaasappel op het pad kwam. Een beetje beurs en niet meer zo strak in de schil. Maar de appel zag nog genoeg zoet en zo begon de relatie. De appel ging echter met de verkeerde vrienden om. Zo kwam het dat een banaan steeds nadrukkelijker in beeld kwam. En wel zo stevig, dat de banaan niet meer weg was te denken. De banaan zette steeds meer druk op de sinaasappel, als in een wurggreep. Her en der kwamen al wat druppeltjes naar buiten. Het spatte in de ogen van de appel, waartegen de banaan ging dreigen met soortgelijke acties. Want ook de appel was niet meer zo stevig als het begin.
De banaan rook de macht en was al aan het rotten. Erg gevaarlijk. Want zowel de appel als sinaasappel wisten dat als je een rijpe banaan te lang bij ander fruit laat liggen, je al het fruit kunt weggooien. Omdat de inmiddels verrotte banaan de rest heeft geïnfecteerd. De appel krijgt bruine plekjes, die moeten worden weggesneden om erger te voorkomen. De schil van de sinaasappel wordt blauw en kan al snel de hele inhoud verpesten.
De eens zo vrolijke appel is inmiddels zuur geworden. De sinaasappel zeer verbitterd. En de banaan, met rare witte haartjes bovenop, gaat zonder te stoppen door. Blijft slachtoffers maken, nota bene vanuit een ondergeschikte rol. De rest in de fruitmand wacht de citruspers en het schilmesje angstig af, in de weet dat het weinig kan aanrichten. Dat is best krom.